ECLI:NL:RBZWB:2024:1313

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
AWB- 23_3441 en 23_3442
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4 Verordening Jeugdhulp Gemeente Breda 2020Art. 3.5 Nadere regels jeugdhulp gemeente Breda 2020Art. 3.6 Verordening Jeugdhulp Gemeente Breda 2020Art. 4:4 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart verzet gegrond tegen onbevoegdheidsuitspraak inzake Jeugdwet-aanvragen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzet van opposante tegen uitspraken van 13 oktober 2023 waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van haar beroepen over niet tijdig beslissen op Jeugdwet-aanvragen voor haar kinderen.

De rechtbank concludeerde aanvankelijk dat opposante geen formele aanvragen had ingediend, maar enkel een verzoek tot een gezamenlijke afspraak. In het verzet overwoog de rechtbank dat het ontbreken van een ondertekend ondersteuningsplan niet betekent dat er geen aanvraag is ingediend, omdat de Jeugdwet geen afwijkende aanvraagprocedure kent van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank stelde vast dat het college na het verzoek van opposante een onderzoek naar jeugdhulp is gestart en ondersteuningsplannen heeft opgemaakt. Hierdoor is niet buiten redelijke twijfel dat er geen aanvragen zijn. De eerdere onbevoegdheidsuitspraak was daarom onterecht en wordt vernietigd. Het onderzoek wordt hervat in de stand van zaken voorafgaand aan de buiten-zittinguitspraken.

De rechtbank merkt op dat ook na hervatting het eindoordeel kan zijn dat zij onbevoegd is, maar dat daarvoor meer onderzoek nodig is. Er worden geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet gegrond, vernietigt de eerdere onbevoegdheidsuitspraak en hervat het onderzoek naar de aanvragen jeugdhulp.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 23/3441 en 23/3442 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2024 op de verzetten van

[opposante], te [plaats] , opposante [1] ,
tegen de uitspraken van de rechtbank van 13 oktober 2023 in de gedingen tussen
opposante
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda

Inleiding

1. Deze uitspraak op de verzetten van opposante gaat over de uitspraken van de rechtbank van 13 oktober 2023, waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van de beroepen van opposante kennis te nemen.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 1 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposante en [naam 1] , [naam 2] en mr. C.L Kooiker namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraken van 13 oktober 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de rechtbank onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzetten gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De beroepen van opposante
4. De beroepen van opposante gingen over het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvragen van 22 februari 2023 voor hulp vanuit de Jeugdwet voor haar zoon en dochter.
De uitspraken van 13 oktober 2023
5. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante in haar e-mail van 22 februari 2023 enkel heeft verzocht om een gezamenlijke afspraak. De rechtbank is niet gebleken dat opposante aanvragen in het kader van de Jeugdwet heeft willen indienen. Ook het college is geen aanvragen van opposante bekend.
Beoordeling in verzet
6. In verzet heeft opposante een ondersteuningsplan over haar zoon en een ondersteuningsplan over haar dochter overgelegd. Uit de door het college overgelegde stukken blijkt dat deze ondersteuningsplannen op 16 augustus 2023 door de regisseur Jeugd van de gemeente aan (de zoon en dochter van) opposante zijn verzonden. Het college stelt zich in verzet op het standpunt dat door het niet ondertekenen van de ondersteuningsplannen er geen aanvragen door opposante zijn ingediend. Het college wijst op de Verordening Jeugdhulp Gemeente Breda 2020 (Verordening) en de Nadere regels jeugdhulp gemeente Breda 2020 (Nadere regels).
6.1.
In artikel 3.6, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat jeugdigen en/of ouders na het onderzoek naar de hulpvraag [2] een aanvraag moeten indienen bij het college om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening. In artikel 3.5, eerste lid, van de Nadere regels is bepaald dat het college een ondertekend ondersteuningsplan of een evaluatieverslag zal aanmerken als aanvraag, als de jeugdige en/of zijn ouders dat op het ondersteuningsplan hebben aangegeven.
6.2.
Naar het oordeel van de verzetrechter betekent het ontbreken van een ondertekend ondersteuningsplan niet dat er geen aanvraag is ingediend. De verzetrechter is van oordeel dat een ondertekend ondersteuningsplan niet vereist is voor een aanvraag in het kader van jeugdhulp. Van de aanvraagprocedure in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen worden afgeweken bij wet in formele zin en niet bij gemeentelijke verordening. Anders dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voorziet de Jeugdwet niet in een aanvraagprocedure die afwijkt van de hierover in de Awb opgenomen bepalingen. [3] Het college wijst nog op artikel 4:4 van Pro de Awb dat een bepaling bevat over het aanvraagformulier. Voorzover het college daarmee bedoelt te betogen dat het ondersteuningsplan als aanvraagformulier moet worden gezien, volgt de verzetrechter dit niet omdat het ondersteuningsplan tot stand komt door onderzoek van het college en niet door de aanvrager zelf kan worden ingevuld. De aanvraagprocedure zoals in de Verordening en de Nadere regels is opgenomen, is dan ook in strijd met de Awb. Artikel 3.6, eerste lid, van de Verordening en artikel 3.5, eerste lid, van de Nadere regels missen bindende kracht wegens strijd met de wet en deze bepalingen moeten in het geval van opposante buiten toepassing worden gelaten.
6.3.
De verzetrechter stelt vervolgens vast dat het college op enig moment na de e-mail van opposante van 22 februari 2023 een onderzoek naar jeugdhulp heeft opgepakt, waarna de ondersteuningsplannen voor haar zoon en dochter zijn opgemaakt. Dit maakt dat niet buiten redelijke twijfel is dat er geen aanvragen van opposante zijn, waarop door het college beslist moet worden. De rechtbank zal nog moeten beoordelen of en zo ja, wanneer er sprake was van een aanvraag. Daar is meer onderzoek voor nodig.

Conclusie en gevolgen

7. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraken ten onrechte heeft geoordeeld dat zij kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, onbevoegd was en de zaken ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. De verzetten zijn gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraken vervallen en de rechtbank de onderzoeken hervat in de stand waarin die zich bevonden voordat die buiten-zittinguitspraken werden gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat de rechtbank onbevoegd is.
8. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de verzetten gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.als bedoeld in artikel 3.4 van de Verordening
3.Vergelijk de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2333 en van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 6 juli 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:12454.