Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming Regio Zuidwest Nederland verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een nog ongeboren kind, vanwege zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van het kind na geboorte. De moeder, die zwanger is van haar eerste kind, vertoont psychische problematiek, is zorgmijdend en woont in een woning zonder gas, elektriciteit en water.
De kinderrechter nam de beschikking van 7 februari 2024 en aanvullende stukken mee in haar beoordeling. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 februari 2024, waarbij de moeder niet aanwezig was, bevestigde de Gecertificeerde Instelling dat de moeder geen bezwaar maakt tegen het verzoek. De moeder gaf aan dat zij kraamhulp heeft geregeld en de nutsvoorzieningen spoedig op orde wil brengen, maar de GI heeft hier weinig vertrouwen in gezien eerdere toezeggingen die niet werden nagekomen.
De kinderrechter oordeelde dat er nog steeds een ernstig vermoeden bestaat dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld op grond van artikel 1:255 BW Pro. Het ongeboren kind wordt daarom voorlopig onder toezicht gesteld van 21 februari 2024 tot 7 mei 2024. Dit is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor het kind weg te nemen. De beslissing is gebaseerd op de psychische problematiek van de moeder, haar middelengebruik, de onveilige woonsituatie en haar ambivalente houding ten opzichte van noodzakelijke hulp.
Uitkomst: Het ongeboren kind wordt voorlopig onder toezicht gesteld van 21 februari 2024 tot 7 mei 2024.