ECLI:NL:RBZWB:2024:1327
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waardebepaling woning met vergelijkingsmethode ongegrond verklaard
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €364.000 per 1 januari 2021, en stelde dat de waarde niet hoger dan €338.000 kon zijn. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde deze met een taxatiematrix gebaseerd op vergelijkingsmethode met referentiewoningen.
De rechtbank beoordeelde of de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en concludeerde dat deze qua ligging, bouwjaar en oppervlakte passend waren. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar ook in het oordeel dat subjectieve kenmerken zoals de nabijheid van een basisschool niet in de waardering meegenomen mogen worden.
Belanghebbende verwees naar WOZ-waarden van andere woningen, maar de rechtbank oordeelde dat deze niet relevant zijn omdat WOZ-waarden afgeleiden zijn van verkoopcijfers en niet concrete verkoopcijfers zelf. Ook was geen sprake van gelijke situaties voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende had onderbouwd en dat het beroep ongegrond is. De WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd, en belanghebbende krijgt geen griffierecht- of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €364.000 en de aanslag OZB is ongegrond verklaard en gehandhaafd.