ECLI:NL:RBZWB:2024:133

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2024
Publicatiedatum
12 januari 2024
Zaaknummer
BRE-23_3123
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:119 BWWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen kennisgeving kostenvergoeding wettelijke rente in belastingzaak

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een kennisgeving van de inspecteur van de Belastingdienst waarin wettelijke rente werd toegekend wegens te late betaling van vergoedingen. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de kennisgeving geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en niet vatbaar is voor bezwaar en beroep binnen het belastingrecht.

De rechtbank bevestigt dat het vergoeden van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro geen belastingbesluit betreft en daarom niet onder het stelsel van bezwaar en beroep valt. Het beroep van belanghebbende is dan ook kennelijk ongegrond en wordt zonder zitting afgewezen.

De rechtbank wijst erop dat belanghebbende het geschil kan voorleggen aan de burgerlijke rechter volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Bastiaansen en openbaar gemaakt op 12 januari 2024.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de kennisgeving kostenvergoeding wettelijke rente wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3123

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 mei 2023, betreffende de kennisgeving kostenvergoeding van 27 december 2022, naar aanleiding van een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 november 2022.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft in de kennisgeving kostenvergoeding wettelijke rente toegekend omdat de bedragen die hij ingevolgde de uitspraak van het Gerechtshof aan belanghebbende moest vergoeden, te laat heeft betaald.
3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in de kennisgeving toegekende wettelijke rente. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
4. In het belastingrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar. Het vergoeden van wettelijke rente omdat niet tijdig is voldaan aan een betalingsverplichting, vindt zijn grondslag in artikel 6:119 BW Pro en is dus niet gebaseerd op de belastingwetgeving. Evenmin is sprake van een besluit in de zin van de Awb. De kennisgeving is dan ook geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking.
5. De inspecteur heeft het bezwaar, zij het op andere gronden, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is kennelijk ongegrond.
6. Belanghebbende kan het geschil met de inspecteur voorleggen aan de burgerlijke rechter op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 12 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.