ECLI:NL:RBZWB:2024:1350
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- Mulders
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir derdenbeslag wegens ondeugdelijke vordering en nietigheid dagvaarding
Op 22 februari 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een kort geding over de opheffing van conservatoir derdenbeslag dat door gedaagde op 30 augustus 2023 ten laste van eiser is gelegd onder ING Bank N.V. Gedaagde vordert dit beslag ter zake een vordering op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) wegens vermeende onrechtmatige verkoop van een woning en vermogensbeheer door eiser.
Eiser stelt dat de dagvaarding in de bodemprocedure niet aan ING Bank N.V. is betekend, waardoor het beslag nietig zou zijn, en dat de vordering ondeugdelijk is omdat de woning voor een redelijke prijs is verkocht en de stellingen van gedaagde onvoldoende zijn onderbouwd. Gedaagde betwist het spoedeisend belang van eiser en handhaaft haar vordering.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de dagvaarding wel degelijk is betekend en dat de vordering van gedaagde summierlijk ondeugdelijk is. De bepalingen in het testament zien niet op een woning die voor overlijden is verkocht en de gestelde schade is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook de stelling van ondeugdelijk vermogensbeheer is onvoldoende geconcretiseerd en leidt niet tot een toewijzing van de vordering.
De belangenafweging leidt tot opheffing van het beslag, waarbij de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd zodat ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het conservatoir derdenbeslag onder ING Bank N.V. ten laste van eiser wordt opgeheven.