Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2024:1353

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
C/02/419217/HA RK 24-24 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 4 Wrakingsprotocol rechtbank Zeeland-West-BrabantECLI:NL:HR:2018:1413
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter belastingzaken kennelijk ongegrond verklaard

Verzoeksters hebben een wrakingsverzoek ingediend tegen de belastingrechter mr. Bogert, stellende dat deze de schijn van partijdigheid wekte door hun verzoek tot uitstel van de zitting zonder motivering af te wijzen.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarbij wordt uitgegaan van de onpartijdigheidsvermoeden van rechters, en alleen uitzonderlijke omstandigheden leiden tot wraking.

De kamer oordeelt dat de afwijzing van het uitstelverzoek een procesbeslissing betreft waarover geen wrakingsklacht kan worden ingediend, ook niet vanwege de motivering daarvan. Er is geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid of schijn daarvan.

De wrakingskamer verklaart het verzoek dan ook kennelijk ongegrond en besluit de behandeling van de hoofdzaken voort te zetten in de stand van vóór de schorsing. Er is geen rechtsmiddel tegen deze beslissing mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de belastingrechter is kennelijk ongegrond verklaard en het proces wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/419217/HA RK 24-24
beslissing van 27 februari 2024 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van:
RamaCorp B.V., verzoekster
ProfiWork Flex B.V., verzoekster
Rama Adviesbureau B.V., verzoekster
hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters
vertegenwoordigd door: [naam].

1.Procesverloop

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
 de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers van de hoofdzaken met nummers BRE 22/739 VPB, BRE 22/740 VPB en BRE 22/741 VPB,
 het wrakingsverzoek van 15 februari 2024,
 het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 15 februari 2024 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust.

2.Het verzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Bogert (hierna: de rechter), optredend als belastingrechter in de bovengenoemde hoofdzaken. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door verzoeksters uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 15 februari 2024.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

Verzoeksters leggen aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt door hun verzoek om de zitting in de hoofdzaken van 16 februari 2024 te verdagen zonder motivering heeft afgewezen. Verzoeksters hebben dat verzoek gedaan omdat zij niet beschikken over verslagen van ketenpartneroverleggen tussen de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en de Belastingdienst, en over een volmacht van de vertegenwoordiger van de Belastingdienst die in hun zaken optreedt. Volgens verzoeksters is het niet eerlijk dat de Belastingdienst via ketenpartneroverleggen over meer informatie beschikt ten opzichte van andere procespartijen, en dat degenen die namens de Belastingdienst optreden hun identiteit en bevoegdheid niet bekend hoeven maken terwijl dit van andere procespartijen wel wordt verwacht.

4.De beoordeling

Beoordelingskader
4.1
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeksters aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hen een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeksters geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
4.3
De beslissing van de rechter om de zitting in de hoofdzaken van 16 februari 2024 niet te verdagen, betreft een procesbeslissing. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing, de vraag of al dan niet hoor en wederhoor correct is toegepast daaronder begrepen. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeksters onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen.
4.4
Alleen als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak niet gebleken. Hierbij neemt de wrakingskamer in aanmerking dat in het bericht van de rechtbank aan de vertegenwoordiger van verzoeksters van 12 februari 2024 uiteen is gezet dat het al dan niet verlangen van een machtiging van de vertegenwoordiger van de Belastingdienst op de zitting van 16 februari 2024 aan de orde kon worden gesteld. Hetzelfde geldt voor wat verzoeksters hebben aangevoerd over de ketenpartneroverleggen.
4.5
De wrakingskamer is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van enige schijn van vooringenomenheid, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook kennelijk ongegrond verklaren. Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

5.De beslissing

De wrakingskamer:
 verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
 bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaken met nummers BRE 22/739 VPB, BRE 22/740 VPB en BRE 22/741 VPB zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is genomen op 27 februari 2024 door mr. Peters, rechter en voorzitter, en mr. M.D.E. Leppens en mr. Van Alphen, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.