Eiseres, voormalig buschauffeur, maakte bezwaar tegen de beëindiging van haar WIA-uitkering door het UWV, omdat zij meent dat haar beperkingen zijn onderschat. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en een functionele mogelijkheden lijst (FML) dat zij 30,82% arbeidsongeschikt is, wat onvoldoende is voor een WIA-uitkering.
De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek als zorgvuldig en voldoende, waarbij ook het bezwaar van eiseres dat zij niet persoonlijk door een geregistreerd verzekeringsarts was onderzocht, werd verworpen. De verzekeringsarts b&b motiveerde dat een fysiek spreekuurcontact geen toegevoegde waarde had gezien de aard van de klachten en beschikbare medische informatie.
De arbeidsdeskundige gebruikte geschikte functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid, welke door eiseres niet overtuigend werden betwist. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 30,82% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering daarom terecht is beëindigd.
Hoewel het bestreden besluit niet volledig gemotiveerd was vanwege gewijzigde FML in beroep, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiseres niet benadeeld is. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres en verklaarde het beroep ongegrond.