Belanghebbende is eigenaar van een apart verhuurd kantoorgedeelte in een bedrijfshal te Waalwijk. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op €150.000 en legde de aanslag OZB 2022 op. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een maximale waarde van €105.000 voor.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van een taxatierapport van 1 mei 2023, waarin de waarde werd onderbouwd met vergelijkingsobjecten op hetzelfde industrieterrein. De rechtbank oordeelde dat de referentieobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar de verschillen, zoals oppervlakte en kantoorruimte, adequaat had verwerkt in de waardebepaling.
Belanghebbendes aanvullende stukken werden niet als te laat beschouwd. De rechtbank verwierp het bezwaar dat de kapitalisatiefactor niet was onderbouwd, omdat deze niet werd toegepast. Tevens werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de termijn van twee jaar niet was overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en de aanslag OZB, en wees het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.