Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan voor een woning waarbij de huurder een maandelijkse huur van €577,44 verschuldigd is. Er is een huurachterstand ontstaan van meer dan vier maanden, oplopend tot €2.919,36 inclusief incassokosten en rente. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
De huurder erkent de achterstand en geeft aan in een depressieve periode te hebben gezeten, maar is inmiddels in contact met schuldhulpverlening en staat open voor aanvullende ondersteuning. De rechtbank weegt het belang van het minderjarige kind mee, maar stelt dat dit niet verhindert dat de huurovereenkomst wordt ontbonden bij ernstige tekortkoming.
De rechtbank wijst de vorderingen toe, met een nadruk op het belang van hulpverlening aan de huurder en het gebruik van het vonnis als stok achter de deur door de verhuurder. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, incassokosten en een gebruiksvergoeding tot ontruiming. De ontbinding en ontruiming worden uitgesproken met een termijn van veertien dagen na betekening.