Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 23 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen buren over het gebruik van een pad over het perceel van gedaagde. Eiser vordert dat er door verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan ten gunste van zijn perceel, omdat hij en buren het pad al meer dan 20 jaar gebruikten. Gedaagde betwist dit en stelt dat het pad geen onderdeel is van de brandgang en dat het gebruik slechts op toestemming berustte, een persoonlijk recht.
De rechtbank beoordeelt dat voor het ontstaan van een recht van overpad door verjaring vereist is dat het gebruik als bezit moet gelden: openbaar, ondubbelzinnig en exclusief. De aangevoerde feiten, zoals gezamenlijk bestraten en respecteren door de huurder van gedaagde, zijn onvoldoende om te spreken van bezit door eiser. Ook het feit dat het perceel van gedaagde lange tijd leegstond, maakt dat het gebruik grotendeels aan zijn zicht onttrokken was.
Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden voor verjaring van een erfdienstbaarheid. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Het vonnis is gewezen door rechter Bosters en op 6 maart 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Vordering tot erfdienstbaarheid door verjaring wordt afgewezen; eiser wordt veroordeeld in proceskosten.