Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden in een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op de Houtmarkt te Breda op 22 december 2021. Betrokkene voerde aan dat het onbedoeld was en dat er onterecht twee boetes zouden zijn opgelegd. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststaat en dat er geen tweede boete is opgelegd. Wel werd geoordeeld dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden door betrokkene niet te horen, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van diens beslissing. Daarnaast was de redelijke termijn van twee jaar overschreden, wat eveneens aanleiding gaf tot matiging.
De rechtbank matigde de boete met 25% vanwege de schending van de hoorplicht en met nog eens 25% vanwege de termijnoverschrijding. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie werd gegrond verklaard en de boete werd verminderd. Het teveel betaalde bedrag aan zekerheid werd terugbetaald. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.