ECLI:NL:RBZWB:2024:1568
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaren inkomstenbelasting 2018 en 2019 gegrond
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de inspecteur op zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 en op de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019.
De rechtbank oordeelt dat het beroep over 2017 niet-ontvankelijk is omdat de beslistermijn door de ‘massaal bezwaar plus’ procedure bij de Hoge Raad is opgeschort. Belanghebbende heeft de inspecteur te vroeg in gebreke gesteld. Voor de jaren 2018 en 2019 is het beroep gegrond verklaard omdat de inspecteur niet tijdig heeft beslist op de bezwaren. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het bezwaarschrift van 20 september 2020 is ontvangen, waardoor de ingebrekestelling en het beroep prematuur waren. Echter, de brief van 10 oktober 2022 wordt als bezwaar aangemerkt waarop nog niet is beslist.
De inspecteur wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog te beslissen op de bezwaren voor 2018 en 2019. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd en een vaststelling van een dwangsom van €1.442. Het griffierecht van €50 wordt aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: Beroep gegrond voor niet tijdig beslissen op bezwaren 2018 en 2019, niet-ontvankelijk voor verzoek ambtshalve vermindering 2017; inspecteur moet binnen twee weken alsnog beslissen en dwangsommen betalen.