Op 28 mei 2022 heeft verdachte samen met een medeverdachte geprobeerd geld en/of een telefoon van het slachtoffer te stelen door hem in een hoek te drijven, vast te pakken en te bedreigen met een mes. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging diefstal met geweld en bedreiging in vereniging, met uitzondering van het onderdeel bij de keel grijpen wegens onvoldoende bewijs.
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op 27 februari 2024. De officier van justitie baseerde zich op de aangifte van het slachtoffer en diverse getuigenverklaringen. Verdachte erkende het benaderen van het slachtoffer maar stelde dat het een grap was, wat door de rechtbank niet werd aanvaard.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn status als first-offender en positieve adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering. De redelijke termijn was met ruim vijf maanden overschreden, wat in de strafmaat werd gecompenseerd.
De rechtbank legde een onvoorwaardelijke werkstraf van 40 uur op, met aftrek van voorarrest, en sprak verdachte vrij van het onvoldoende bewezen onderdeel. Het vonnis werd uitgesproken op 12 maart 2024 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.