De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige en machtiging tot uithuisplaatsing bij opa en oma moederszijde. De ouders kampen met een spanningsvolle thuissituatie met fysieke en verbale agressie, emotionele problematiek bij de moeder en onduidelijkheid over het perspectief van de minderjarige.
De kinderrechter concludeert dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken en dat de minderjarige in een veilige en stabiele omgeving moet opgroeien. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor vier maanden, met als doel duidelijkheid te verkrijgen over het toekomstperspectief en het contact tussen ouders en kind te verbeteren.
De ouders worden geacht individuele en gezamenlijke hulpverlening te starten, waaronder diagnostisch onderzoek voor de moeder en ouderschapsbemiddeling. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad vanwege de noodzaak voor de ontwikkeling van de minderjarige.