ECLI:NL:RBZWB:2024:1662

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
13 maart 2024
Zaaknummer
AWB- 24_1687 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake AOW-toeslag herziening en terugvordering

Verzoeker heeft beroep aangetekend tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) waarin de herziening van de AOW-toeslag en de terugvordering gehandhaafd blijft. Tegelijkertijd heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om het teruggevorderde bedrag of het verschil tussen bruto en netto terug te krijgen.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb besloten dat een zitting niet nodig was. Uit navraag bij de SVB bleek dat verzoeker de gehele vordering op 20 december 2023 in één keer heeft terugbetaald. Telefonisch en schriftelijk heeft verzoeker toegelicht wat hij met de voorlopige voorziening wil bereiken en waarom hij spoedeisend belang meent te hebben.

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het spoedeisend belang onvoldoende is aangetoond, omdat de aspecten die verzoeker aanvoert ook in de beroepsprocedure aan de orde kunnen komen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De uitspraak is gedaan op 12 maart 2024 en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1687 AOW VV

uitspraak van 12 maart 2024 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

en

De Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder.

Procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
2. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 heeft de SVB aan verzoeker meegedeeld dat de herziening van de AOW-toeslag en de terugvordering gehandhaafd blijft. Verzoeker heeft beroep aangetekend tegen dit besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
3. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. Uit navraag bij de SVB is gebleken dat verzoeker op 20 december 2023 de gehele vordering in een keer heeft terugbetaald. De griffier heeft op 20 februari 2024 telefonisch met verzoeker gesproken over wat hij wil bereiken met zijn voorlopige voorziening. Ook is gesproken over de vraag of er sprake is van een spoedeisend belang. Met de brief van 23 februari 2024 heeft verzoeker schriftelijk nog een toelichting gegeven op het spoedeisend belang en wat hij wil bereiken met de voorlopige voorziening.
6. Verzoeker heeft in zijn brief van 23 februari 2024 aangevoerd dat het teruggevorderde bedrag hoger is dan aan hem is uitgekeerd. Ook is op de jaaropgave van 2023 geen rekening gehouden met het door hem terugbetaalde bedrag. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat het gevorderde bedrag aan hem wordt terugbetaald. Als dat niet kan verzoekt hij om te bepalen dat het verschil tussen de bruto en netto vordering aan hem wordt terugbetaald.
7. Met deze gegeven toelichting is onvoldoende gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Hoewel zijn verzoek begrijpelijk is, zijn dit aspecten die in de beroepsprocedure aan de orde kunnen komen. Uit zijn brief van 23 februari 2024 blijkt niet dat verzoeker een uitspraak in de beroepszaak niet zou kunnen afwachten. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 12 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.