De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 12 maart 2024 een rekestprocedure betreffende wijziging van het gezag, vaststelling van een omgangsregeling en een informatieregeling tussen de man en vrouw over hun minderjarige kinderen.
De man verzocht om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling, terwijl de vrouw dit afwees en ontzegging van omgang wilde. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing van het gezamenlijk gezag, aanhouding van de omgangsregeling voor negen maanden en toewijzing van een informatieregeling.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van gewijzigde omstandigheden die gezamenlijk gezag rechtvaardigen, mede door het ontbreken van communicatie en het belang van rust voor de minderjarigen. De omgangsregeling werd afgewezen omdat omgang op dit moment schadelijk zou zijn voor de minderjarigen die getraumatiseerd zijn en geen contact wensen. Wel werd een informatieregeling vastgesteld waarbij de vrouw maandelijks informatie en foto's aan de man verstrekt en de man tweemaandelijks en op verjaardagen kaartjes stuurt.
Het verzoek tot ontzegging van omgang werd afgewezen omdat feitelijk geen omgangsregeling bestaat en het belang van contactmogelijkheid met de vader behouden moet blijven. De rechtbank benadrukte het belang van rust en herstel van vertrouwen voor de minderjarigen.