Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek per e-mailbericht van 20 februari 2024;
- de schriftelijke mededeling van mr. Thielen van 20 februari 2024 dat zij niet in
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter in een executie kort geding, stellende dat zij onvoldoende gelegenheid kreeg haar standpunt toe te lichten en dat er sprake zou zijn van belangenverstrengeling. Zij voelde zich door kritische vragen en opmerkingen van de voorzieningenrechter belemmerd in haar verweer, mede vanwege haar PTSS en persoonlijke omstandigheden.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op grond van artikel 36 Rv Pro en stelde vast dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. Uit de zittingsaantekeningen bleek dat de voorzieningenrechter zowel verzoekster als de wederpartij kritisch heeft bevraagd en dat de vragen relevant waren voor de beoordeling van het kort geding, dat zich beperkt leent voor een volledige geschilbehandeling.
De wrakingskamer concludeerde dat de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling geen objectief gerechtvaardigde vrees voor belangenverstrengeling oplevert. Het wrakingsverzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter is kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.