Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning aan een adres te Goirle, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €426.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2022 op.
De rechtbank behandelde het beroep op 1 februari 2024, waarbij belanghebbende en haar gemachtigde niet verschenen. De heffingsambtenaar werd vertegenwoordigd door een gemachtigde. De woning betreft een twee-onder-een-kap woning uit 1986 met diverse bijgebouwen en een perceel van 241 m².
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende, die een waarde van €350.000 bepleitte. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een door een taxateur opgestelde vergelijkingsmatrix met drie referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar en de gehanteerde methode voldeed aan de wettelijke eisen. Het beroep werd ongegrond verklaard en belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.