Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens het rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op 28 april 2022 in Breda. Betrokkene stelde dat de overtreding niet door hem was begaan, maar door een huurder van het voertuig.
De officier van justitie verklaarde het eerste beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 12 februari 2024 was betrokkene en diens gemachtigde afwezig. De officier van justitie erkende dat het voertuig destijds was verhuurd, maar stelde dat in de administratieve fase de verkeerde huurovereenkomst was overgelegd.
De kantonrechter oordeelde dat op grond van artikel 8 Wahv Pro het beroep gegrond is omdat betrokkene heeft aangetoond dat het voertuig was verhuurd. De boete is ten onrechte aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd. De beschikking en beslissing worden vernietigd, het betaalde bedrag wordt terugbetaald en een proceskostenvergoeding van €218,75 wordt toegekend, beperkt tot de kantonfase vanwege het niet overleggen van juiste stukken in de administratieve fase.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de boete vernietigd en proceskostenvergoeding toegekend.