Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het niet verlenen van voorrang aan bestuurders van rechts op een kruispunt in Breda op 14 maart 2022. Betrokkene stelde zich op het standpunt dat de gedraging niet was verricht of dat hij zich het voorval niet kon herinneren. Ook werd aangevoerd dat de verbalisant ten onrechte geen staandehouding verrichtte en dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt dat de gedraging heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is om aan die verklaring te twijfelen. De combinatie van het ontbreken van een stopbord en het op rood springen van het verkeerslicht maakte een staandehouding niet mogelijk, waardoor de boete terecht aan de kentekenhouder is opgelegd.
De rechtbank stelde echter vast dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden door betrokkene niet te horen voordat het beroep ongegrond werd verklaard. Dit leidt tot vernietiging van die beslissing en matiging van de boete met 25%. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene.
Uitkomst: Beroep deels gegrond, boete met 25% gematigd en proceskostenvergoeding toegekend.