Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder zichtbare gehandicaptenparkeerkaart. Betrokkene voerde aan dat zij net verhuisd was, de omgeving onbekend was, en dat de auto vanwege laadproblemen pas later verplaatst kon worden. Tevens stelde zij dat de leasemaatschappij de boetes zou betalen en dat zij de boete niet kon betalen.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de gedraging vaststaat en dat er geen sprake was van laden en lossen. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging inderdaad vaststaat en erkend is, maar dat de schending van de hoorplicht door de officier van justitie leidt tot vernietiging van diens beslissing. De kantonrechter matigde de boete met 25% wegens deze schending.
De boete werd daardoor verminderd van €319,- naar €232,50 plus administratiekosten. Het beroep tegen de boete is daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard. Betrokkene had de zekerheidstelling niet betaald, maar kreeg het voordeel van de twijfel en werd hiervan vrijgesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en de boete wordt met 25% gematigd tot €232,50 plus administratiekosten.