Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het stilstaan op het trottoir in Breda op 2 juni 2022. Betrokkene voerde aan dat parkeren op de straat niet mogelijk was vanwege de smalle doorgang en dat het laden en lossen van zware goederen tegenover haar woning plaatsvond. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar betrokkene stelde beroep in bij de kantonrechter.
De kantonrechter stelde vast dat de gedraging, parkeren op het trottoir, wettelijk verboden is, ook bij laden en lossen. Betrokkene ontkende de gedraging niet. Wel werd vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden door betrokkene niet te horen, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van diens beslissing.
Gezien de structurele schending van de hoorplicht en de omstandigheden ter plaatse matigde de kantonrechter de boete met 25% en verder tot een bedrag van €50 plus administratiekosten. Het teveel betaalde bedrag moet worden terugbetaald. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard en het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond.
Uitkomst: De boete voor parkeren op het trottoir wordt gematigd tot €50 wegens schending van de hoorplicht en omstandigheden ter plaatse.