Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 7 februari 2023 te Breda. Betrokkene stelde dat hij niet de gedraging had verricht en dat hij niet staande was gehouden, en vroeg om bewijs van de overtreding. Tevens gaf hij aan de boete niet te kunnen betalen vanwege een lopende afbetalingsregeling.
De officier van justitie handhaafde de boete, maar de kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant dat hij vanwege andere werkzaamheden niet kon staande houden, onvoldoende was om af te zien van de vereiste staandehouding. Volgens artikel 5 Wahv Pro moet de bestuurder staande worden gehouden om een boete op te leggen, tenzij de identiteit niet anders kan worden vastgesteld.
De kantonrechter concludeerde dat de boete ten onrechte was opgelegd en vernietigde de beschikking en de beslissing van de officier van justitie. Het beroep werd gegrond verklaard en de boete ingetrokken. Er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd wegens het ontbreken van een staandehouding.