Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd omdat het keuringsbewijs van zijn motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder was verlopen. Hij stelde dat de auto bij de garage was voor een uitgebreide keuring en schoonmaak, waardoor de keuring langer duurde dan normaal. Betrokkene was niet op de hoogte dat hij een boete kon krijgen omdat de auto bij de garage stond.
De officier van justitie voerde aan dat de kentekenhouder verantwoordelijk is voor het tijdig regelen van een geldig keuringsbewijs of het schorsen van de auto. De boete werd pas in januari opgelegd, waardoor betrokkene nog de mogelijkheid had het voertuig na de vervaldatum te schorsen.
De kantonrechter oordeelde dat uit de stukken, met name de constatering van het RDW, voldoende blijkt dat de gedraging heeft plaatsgevonden. De kantonrechter achtte het coulant dat betrokkene nog twee maanden had om de auto te schorsen. Ook gaf de kantonrechter aan dat kentekenhouders van oudere auto's op de hoogte moeten zijn van de verplichting tot schorsing of een geldig keuringsbewijs. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wegens verlopen keuringsbewijs wordt ongegrond verklaard.