Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd omdat hij niet de vereiste verzekering had afgesloten en in stand gehouden voor een bromfiets, geconstateerd op 3 mei 2022. Betrokkene voerde aan dat het voertuig al jaren niet in gebruik was, in een loods stond en dat hij niet op de hoogte was van het feit dat het voertuig nog niet was uitgeschreven toen de verzekering stopte. Tevens verbleef hij zes weken in het buitenland, waardoor post hem ontging.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de kentekenhouder verantwoordelijk is voor verzekering en schorsing, ongeacht gebruik. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat en dat betrokkene onvoldoende aannemelijk maakte dat hij niet verantwoordelijk was. Wel werd vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden door betrokkene niet te horen, wat leidt tot vernietiging van diens beslissing.
Daarom verklaarde de kantonrechter het beroep gegrond en matigde de boete met 25% vanwege deze structurele schending van de hoorplicht. De boete werd gewijzigd naar € 277,50 plus € 9 administratiekosten. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en boete gematigd met 25% wegens schending van de hoorplicht.