ECLI:NL:RBZWB:2024:1813

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
18 maart 2024
Zaaknummer
RK 23-012138, 23-012139
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 535 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor onrechtmatige inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis

Verzoeker is op 24 oktober 2019 in verzekering gesteld wegens een verdenking van belaging en op 28 oktober 2019 weer vrijgelaten. De strafzaak tegen verzoeker is op 13 februari 2023 geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Verzoeker vordert een vergoeding van €390,- voor de drie dagen inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, en een forfaitaire vergoeding van €680,- voor de kosten van het opstellen en behandelen van het verzoekschrift.

De officier van justitie betwist de billijkheid van de vergoeding, stellende dat niet is uitgesloten dat verzoeker veroordeeld zou kunnen worden. De rechtbank oordeelt echter dat dit criterium niet doorslaggevend is en wijst de vergoeding toe op grond van de onschuldpresumptie, aangezien verzoeker de verdenking ontkent en geen strafzaak heeft kunnen voeren.

De rechtbank baseert de vergoeding op de LOVS-uitgangspunten, waarbij een dag inverzekeringstelling wordt vergoed met €130,-. De vergoeding voor de kosten van het verzoek wordt forfaitair vastgesteld. De totale vergoeding van €1.070,- wordt toegewezen en zal worden overgemaakt aan Stichting Beheer Derdengelden Breda Legal.

Tegen deze beslissing kan zowel door het Openbaar Ministerie als door verzoeker hoger beroep worden ingesteld binnen de wettelijke termijnen.

Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €1.070,- toegekend voor onrechtmatige inverzekeringstelling en de kosten van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02/256640-19
rk-nummers: 23-012138, 23-012139
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 11 mei 2023, in de zaak:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. P.A. Groenhuis op het adres: Michiel de Ruyterstraat 2, 4819 AD Breda
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 390,00, € 390,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 13 februari 2023;
  • de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 24 oktober 2019 in verzekering is gesteld en op 28 oktober 2019 in vrijheid is gesteld;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 26 februari 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. C.P.G. Tax, verzoeker en mr. P.A. Groenhuis als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat hij wegens een verdenking van belaging op 24 oktober 2019 in verzekering is gesteld en op 28 oktober 2019 is heengezonden. Op 13 februari 2023 is de strafzaak jegens verzoeker geseponeerd in verband met onvoldoende bewijs. Verzoeker heeft schade geleden door de ondergane inverzekeringstelling ter hoogte van € 390,00 (3 dagen á een dagvergoeding van € 130,00 per dag) en verzoekt deze aan hem te vergoeden. Te vermeerderen met het bedrag aan forfaitaire vergoeding voor het opstellen, indienen en in raadkamer behandelen van het verzoekschrift.
De officier van justitie persisteert bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en merkt hierbij op dat ondanks de ontkennende verklaring van verzoeker het niet uitgesloten is dat verzoeker door de strafrechter veroordeeld zou zijn.

2. De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 533 Sv Pro kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt
geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij ten gevolge van ondergane
verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoeker heeft
3 dagen in verzekering en/of voorlopige hechtenisdoorgebracht. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen en geëindigd op één en dezelfde dag en beperkt is gebleven tot enkele uren wordt naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
De rechtbank is van oordeel dat het aangevoerde criterium van de officier van justitie – dat ondanks de ontkenning van verzoeker het niet uitgesloten is dat verzoeker door de strafrechter veroordeeld zou zijn – niet het gehandhaafde criterium mag zijn bij de beoordeling of het billijk is om een vergoeding aan verzoeker toe te kennen. Gelet op het feit dat verzoeker de verdenking ontkent én verzoeker niet de kans heeft gehad om in een strafzaak zijn onschuld aan te tonen is het naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de onschuldpresumptie billijk om de vergoeding aan verzoeker toe te wijzen.
De gevraagde vergoeding is daarbij conform de LOVS-uitgangspunten. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van
€ 390,00.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 390,00, bestaande uit
- schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 680,00, bestaande uit:
- de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
wijst de verzoeken voor het overige af.
bepaalt dat een bedrag van
€ 1.070,- zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Breda Legal, onder vermelding van “23-012138, 23-012139”
Deze beslissing is op 11 maart 2024 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en Pro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).