ECLI:NL:RBZWB:2024:1823

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
18 maart 2024
Zaaknummer
RK 24-001056
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 94 SvArt. 5.4.10 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klaagschrift tegen beslaglegging ter uitvoering van Europees Onderzoeksbevel

Klaagster heeft een klaagschrift ingediend tegen de beslaglegging van een geldbedrag van €5.500,- dat op 11 januari 2023 ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uit België bij beslagene in beslag is genomen. Het klaagschrift strekte tot opheffing van het beslag en teruggave van het geldbedrag aan klaagster, omdat het bedrag aantoonbaar aan haar toebehoorde en er geen strafbare feiten waren vastgesteld.

De raadkamer heeft het klaagschrift behandeld op 26 februari 2024, waarbij de officier van justitie, de gemachtigde raadsvrouw van klaagster en beslagene zijn gehoord. Klaagster was opgeroepen maar niet verschenen. De beslagene bevestigde dat het geldbedrag aan klaagster moest worden teruggegeven en verwees naar een eerder klaagschrift van klaagster uit januari 2023.

De rechtbank oordeelt dat het beslag ter uitvoering van het EOB reeds is geëindigd op 26 januari 2023 door overdracht van het geldbedrag aan de Belgische autoriteiten. Bovendien is het klaagschrift te laat ingediend, namelijk ruim na de wettelijk voorgeschreven termijn van 14 dagen na kennisgeving van de inbeslagname. Daarom verklaart de rechtbank klaagster niet-ontvankelijk in haar klaagschrift.

De beslissing is uitgesproken op 11 maart 2024 door rechter J.C. Gillesse. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden binnen veertien dagen na dagtekening of betekening.

Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en beëindiging van het beslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
rk.nummer: 24-001056
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
in de zaak:
[beslagene]geboren op [geboortedag 1] 1967
wonende te [woonadres]
hierna te noemen: beslagene
[klaagster]geboren op [geboortedag 2] 1971
wonende te [woonadres]
hierna te noemen: klaagster

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 11 januari 2023 ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (hierna te noemen: EOB) uit België jegens [beslagene] in beslag is genomen: een geldbedrag van € 500,00 en een geldbedrag van € 5.000,- (hierna te noemen: het geldbedrag)
  • het klaagschrift, ingediend op 12 januari 2024 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • het verweerschrift van de officier van justitie; en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 26 februari 2024. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. C.P.G. Tax, mr. W. van Nunen als gemachtigd raadsvrouw van klaagster en [beslagene] als beslagene.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat het geldbedrag ter hoogte van € 5.500,- in beslag is onder [beslagene] en dit geldbedrag aantoonbaar toebehoort aan [klaagster] . Nu na politieverhoor door de Nederlandse en Belgische politie is gebleken dat [beslagene] en [klaagster] zich niet schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten verzoeken zij om het geldbedrag ten spoedigste terug te geven. In raadkamer heeft de beslagene hieraan toegevoegd dat het geldbedrag aan klaagster moet worden teruggegeven. Hiertoe voert de beslagene aan dat klaagster namens hem op 17 januari 2023 al een klaagschrift bij de rechtbank heeft ingediend en het geldbedrag was bestemd voor de aanschaf van een invalidebus. Beslagene heeft ter onderbouwing een afschrift het eerder ingediende klaagschrift aan de rechtbank overgelegd. De raadsvrouw refereert zich namens klaagster aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie refereert zich aan de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Op grond van artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering moet een klaagschrift tegen de beslaglegging ter uitvoering van een EOB, binnen 14 dagen na de kennisgeving van de inbeslagname van een goed worden ingediend.
Op 11 januari 2023 heeft er in het kader van een EOB op verzoek van de Belgische autoriteiten een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van beslagene. Beslagene was tijdens deze doorzoeking aanwezig en is gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift binnen 14 dagen. Hierbij is aan beslagene een brief ‘Kennisgeving beklagrecht’ uitgereikt. Op 26 januari 2023 is geconstateerd dat er geen klaagschrift ten aanzien van de inbeslagname ter uitvoering van de EOB was ingediend en is het geldbedrag aan de Belgische autoriteiten overgedragen.
De rechtbank stelt vast dat het beslag gelegd ter uitvoering van een EOB op verzoek van de Belgische autoriteiten reeds is geëindigd met het overdragen van het geldbedrag aan België. Klaagster is derhalve niet-ontvankelijk in haar beklag. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat niet-ontvankelijkheid van klaagster ook volgt uit het feit dat het klaagschrift (veel) te laat is ingediend.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart klaagster niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is op 11 maart 2024 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).