Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
2.Verzoek
3.Standpunten
4.Beoordeling
5.Beslissing
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 maart 2024 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf betrokkene aan de komende zes maanden te willen laten zien dat zij zonder medicatie kan, en verzocht om een zorgmachtiging voor zes maanden in plaats van twaalf. De verpleegkundig specialist stelde echter dat medicatie noodzakelijk is om betrokkene stabiel te houden en dat een periode van zes maanden onvoldoende is voor afbouw van medicatie.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene een ernstige psychische stoornis heeft die leidt tot levensgevaar en andere ernstige nadelen, en dat vrijwillige zorg niet mogelijk is vanwege onvoldoende ziekte-inzicht en wisselende houding ten aanzien van medicatie. De rechtbank wees het onderdeel van de zorgmachtiging dat beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen betreft af als niet noodzakelijk.
Gezien de medische onderbouwing en het verleden waarin afbouw van medicatie leidde tot psychoses, besloot de rechtbank de zorgmachtiging toe te wijzen voor de gevraagde duur van twaalf maanden. De machtiging omvat het toedienen van medicatie en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid te herstellen.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor twaalf maanden met verplichte medicatietoediening en beperkingen in vrijheid, exclusief beperkingen op communicatiemiddelen.