ECLI:NL:RBZWB:2024:1920

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2024
Publicatiedatum
21 maart 2024
Zaaknummer
C/02/419222 / FA RK 24/748
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 3:3 sub c en d Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot zorgmachtiging wegens gebrek aan doelmatigheid

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 maart 2024 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1942. Het verzoek betrof verplichte zorg voor een periode van zes maanden, waaronder medicatietoediening, bewegingsbeperkingen en opname.

Tijdens de mondelinge behandeling, die buiten de woning van betrokkene plaatsvond vanwege haar bezwaar tegen bezoek, gaf betrokkene aan dat het goed met haar gaat en dat zij voldoende ondersteuning uit haar omgeving ontvangt. Zij stelde dat haar dochter en de verpleeginstelling onjuiste motieven hebben, en dat haar echtgenoot onterecht is opgenomen.

De psychiater verklaarde dat betrokkene vermoedelijk lijdt aan een paranoïde stoornis, maar dat zij nooit eerder onder behandeling was geweest. De grootste zorg betreft de verzorging van de echtgenoot, die betrokkene onvoldoende ondersteunt. De psychiater achtte een zorgmachtiging echter niet doelmatig, omdat betrokkene niet ambulant behandeld kan worden en verplichte opname niet passend is.

De rechtbank oordeelde dat verplichte zorg slechts als uiterste middel kan worden ingezet en dat deze evenredig en effectief moet zijn. Gezien de situatie, waarin de zorgproblemen vooral bij de echtgenoot liggen en betrokkene zelf niet adequaat kan worden behandeld, is het verlenen van een zorgmachtiging niet doelmatig. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.

Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens gebrek aan doelmatigheid en evenredigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/419222 / FA RK 24/748
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 11 maart 2024van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1942 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. H.A. van der Hout te Roosendaal.

1.Procesverloop

1.1
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift van 16 februari 2024, ingekomen ter griffie op 16 februari 2024.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 14 februari 2024;
- het zorgplan van 12 februari 2024;
- de (niet ingevulde) zorgkaart van 9 februari 2024;
- de medische verklaring van 25 januari 2024;
- het politie informatierapport Wvggz van 2 januari 2024;
- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wvggz;
- een afschrift van de justitiële documentatie en de politiemutaties.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 maart 2024, op het hierboven genoemde adres van betrokkene.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- mw. [naam] , psychiater.
Tevens was de volgende persoon aanwezig, deze is echter niet gehoord over het verzoek:
- de echtgenoot.
1.4
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.

2.Verzoek

2.1
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen ten behoeve van betrokkene, voor de duur van zes maanden en voor de navolgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- het opnemen in een accommodatie.

3.Standpunten

3.1
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft betrokkene aangegeven dat zij niet wil dat er mensen in haar huis komen. De mondelinge behandeling heeft daarom plaatsgevonden voor de woning van betrokkene, waarbij betrokkene en haar echtgenoot zich in de tuin van betrokkene bevonden en de anderen op de openbare weg.
Betrokkene heeft aangegeven dat het goed met haar gaat en dat er veel mensen in haar omgeving zijn die haar kunnen helpen. Betrokkene is van mening dat haar dochter ervoor heeft gezorgd dat de rechtbank is ingeschakeld. Ook heeft de dochter ervoor gezorgd dat de echtgenoot van betrokkene bij de verpleeginstelling [verpleeginstelling] moet verblijven. Betrokkene is het daar niet mee eens. Zij heeft herhaaldelijk aangegeven dat de begeleider vanuit [verpleeginstelling] uit is op hun geld en op hun woning. Betrokkene is dan ook sterk van mening dat haar echtgenoot moet worden overgeplaatst naar [plaats] .
3.2
Namens betrokkene heeft de advocaat verzocht om het verzoek af te wijzen. De advocaat benadrukt dat een zorgmachtiging in deze situatie niet doelmatig is.
3.3
De psychiater heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat betrokkene nooit eerder onder behandeling is geweest. Er was steeds geen enkel contact van een behandelaar met betrokkene mogelijk. Hoewel betrokkene vermoedelijk lijdt aan een psychische stoornis (deze is, anders dan in de medische verklaring wordt vermeld, niet eerder vastgesteld), te weten een paranoïde stoornis, liggen de zorgen voornamelijk bij de echtgenoot van betrokkene. Betrokkene speelt hierin wel een rol. Zo volgt betrokkene de adviezen omtrent de verzorging van haar echtgenoot die in een verzorgingshuis woont, niet op en laat zij geen thuiszorg toe op momenten dat de echtgenoot thuis verblijft. Al met al houdt betrokkene de zorg af die haar echtgenoot nodig heeft. Dit levert ernstig nadeel op. Dit ernstig nadeel kan voor de echtgenoot mogelijk worden weggenomen middels een verplichte opname van betrokkene, echter vindt de psychiater dit niet doelmatig. Betrokkene kan niet ambulant behandeld worden. Daarom is de psychiater –net als de advocaat van betrokkene – van mening dat de zorgmachtiging moet worden afgewezen.

4.Beoordeling

4.1
Ingevolge artikel 3:3 sub c en Pro d Wvggz kan verplichte zorg alleen worden verleend als uiterst middel, waarbij onder meer als eis wordt gesteld dat het verlenen van verplichte zorg gelet op het beoogde doel evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. De rechtbank is van oordeel dat er wel zorgen over betrokkene zijn, maar dat het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene niet evenredig en effectief is. Het is de rechtbank namelijk gebleken dat er met name zorgen zijn over de verzorging van de echtgenoot door betrokkene. Het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene om er enkel voor te zorgen dat betrokkene niet langer de noodzakelijke zorg afhoudt die haar echtgenoot nodig heeft, is niet doelmatig. Dit heeft ook de psychiater tijdens de mondelinge behandeling verklaard. Dit maakt dat de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging zal afwijzen.

5.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Van de Merbel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2024 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier, en op 25 maart 2024 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.