De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2016 en 2018, die bij hun moeder wonen. De ondertoezichtstelling was eerder reeds meerdere malen verlengd en liep af op 16 februari 2024. De GI verzocht om verlenging voor drie maanden, terwijl de vader een zelfstandig verzoek indiende om de GI te vervangen door het Leger des Heils en de ondertoezichtstelling voor zes maanden te verlengen. De moeder voerde verweer tegen verlenging en stelde dat er geen acute ontwikkelingsbedreiging meer is.
De kinderrechter oordeelde dat het verzoek van de GI te laat was ingediend en dat daardoor de ondertoezichtstelling was verlopen. Ook het verzoek van de vader tot wijziging van de GI werd afgewezen. De Raad voerde aan dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat het belang van de kinderen vereist dat de ondertoezichtstelling wordt voortgezet. De kinderrechter volgde dit standpunt en stelde de minderjarigen onder toezicht van de GI voor drie maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De beslissing benadrukt het belang van het ouderschapsplan en de rol van de GI in samenwerking met de ouders. De kinderrechter wees het verzoek tot wijziging van de GI af vanwege een wachtlijst bij het Leger des Heils en het feit dat deze GI niet bereid was de ondertoezichtstelling uit te voeren. De beschikking is mondeling gegeven op 23 februari 2024 en schriftelijk vastgelegd op 8 maart 2024.