Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 maart 2024 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van aanranding door het vastpakken en knijpen in de linkerbil van de benadeelde op 2 mei 2022 in een café te Breda.
De officier van justitie achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gesteund door de aangifte van de benadeelde en een getuigenverklaring. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en de verklaringen onbetrouwbaar.
De rechtbank oordeelde dat de aangifte niet bruikbaar was omdat een kort na het incident verstuurd WhatsApp-bericht van de benadeelde geen melding maakte van het knijpen of tegenhouden, wat suggereert dat deze handelingen niet hebben plaatsgevonden. Ook de verklaring van de getuige werd als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld vanwege inconsistenties en onduidelijkheden.
Gezien het ontbreken van voldoende wettig bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij. De vordering van de benadeelde tot schadevergoeding werd afgewezen wegens de vrijspraak. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van verdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van aanranding.