ECLI:NL:RBZWB:2024:1986

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
C/02/420515 / JE RK 24-525
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 lid 3 RvArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen wegens ernstige veiligheidsrisico's

De zaak betreft een spoedverzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2007 en 2011, vanwege ernstige veiligheidsrisico's in hun thuissituatie. De minderjarigen verblijven sinds 5 maart 2024 met hun moeder in een Veilige Opvang, nadat eerdere ondertoezichtstellingen waren getroffen.

De kinderrechter constateert dat er sprake is van acute onveiligheid, waaronder vermoedens van mishandeling en incestueuze relaties, en dat de moeder onvoldoende opvoedcapaciteiten bezit en niet meewerkt aan hulpverlening. De situatie is onhoudbaar geworden, mede door het gedrag van een broer die eerder uit huis is geplaatst.

Op grond van artikel 800 lid 3 Rv Pro en artikel 1:265b BW wordt de machtiging tot uithuisplaatsing met spoed verleend, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, voor de duur van twee weken vanaf 22 maart 2024. De minderjarigen worden geplaatst in een pleeggezin dat door de GI is gevonden. Een mondelinge behandeling volgt, waarbij de GI en ouders hun mening kunnen geven.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen voor de duur van twee weken wegens ernstige veiligheidsrisico's.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/420515 / JE RK 24-525
Datum uitspraak: 22 maart 2024
Beschikking (spoed)machtiging tot spoeduithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),
betreffende
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het spoedverzoek met bijlagen van de GI van 22 maart 2024, ingekomen bij de griffie op 22 maart 2024;
- het e-mailbericht van de GI van 22 maart 2024.

2.De feiten

2.1.
De vader en moeder zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
Bij beschikking van 25 januari 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn (onder andere) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 8 februari 2024.
2.4.
Bij beschikking van 2 februari 2024 is de beschikking van 25 januari 2024 bekrachtigd en is de voorlopige ondertoezichtstelling van (onder andere) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 april 2024.
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds 5 maart 2024 met hun moeder in de Veilige Opvang.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de (voorlopige) ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De GI verzoekt hierbij de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarigen.
4.2.
Uit het (spoed)verzoek van de GI blijkt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een machtiging tot uithuisplaatsing is vervuld (1:265b BW). De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met spoed uit huis worden geplaatst en dat een mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
4.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat beide minderjarigen met hun moeder en in eerste instantie ook hun [broer] op 5 maart 2024 in een Veilige Opvang zijn geplaatst vanwege een opeenstapeling aan zorgen over de (ontwikkeling van de) minderjarigen en hun fysieke en mentale veiligheid in de thuissituatie. Vervolgens is [broer] op 14 maart 2024 met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder geplaatst vanwege het zorgelijke, onvoorspelbare en mogelijk (seksueel) overschrijdende gedrag dat [broer] richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] liet zien. Als gevolg daarvan waren er ook in de Veilige Opvang grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en werd de situatie aldaar onhoudbaar geacht. De kinderrechter begrijpt dat de moeder de GI nu heeft laten weten dat zij heeft besloten om vandaag nog uit de Veilige Opvang te vertrekken, ondanks de mogelijke gevolgen daarvan voor een eventuele (spoed)uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.4.
De kinderrechter overweegt op basis van de overgelegde stukken dat er grote zorgen zijn over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder thuis. Uit de informatie weergegeven in het verzoek blijkt dat er in de thuissituatie sprake is van acute onveiligheid; er zijn zorgen over mogelijke mishandelingen en incestueuze relaties onderling en er heerst veel onrust en instabiliteit in de gezinsdynamiek. Het is de kinderrechter voorts gebleken dat de moeder over onvoldoende opvoedcapaciteiten beschikt en niet in staat is om de minderjarigen tegen deze onveiligheid te beschermen of hen niet te belasten met schadelijke en/of volwassenzaken. Daar komt nog bij dat er in de thuissituatie vrijwel geen zicht is op de minderjarigen vanwege de weigerachtige houding van de moeder ten aanzien van de hulpverlening. Gelet daarop is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waardoor zij niet langer (thuis) bij de moeder kunnen verblijven. Beide minderjarigen hebben dringend behoefte hebben aan rust, stabiliteit en hulp om zich weer te kunnen gaan richten op hun eigen ontwikkelingstaken.
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat in een situatie als deze waarin er zulke ernstige zorgen zijn over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en duidelijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet thuis kunnen wonen een (spoed)uithuisplaatsing noodzakelijk en geschikt is. Uit het e-mailbericht van de GI blijkt dat de GI inmiddels een pleeggezin voor de beide minderjarigen heeft gevonden. De kinderrechter acht de (spoed)uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin noodzakelijk en geschikt zodat zij samen op een veilige plek kunnen verblijven en de benodigde zorg en hulpverlening vanuit daar kan worden ingezet. Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook worden toegewezen.
4.6.
De GI, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde mondelinge behandeling. In afwachting van deze mondelinge behandeling zal een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 22 maart 2024 en tot 5 april 2024. Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 maart 2024 en tot 5 april 2024;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
houdt het restant van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van
[datum] 2024 te [uur] ,welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie
Middelburg, Kousteensedijk 2,ten overstaan van mr. B.J. Duinhof, kinderrechter, voor de duur van 45 minuten;
5.4
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI, de moeder en de vader;
5.5
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] via een aparte brief voor een gesprek met de kinderrechter zullen worden opgeroepen.
Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2024 in tegenwoordigheid van mr. De Haas als griffier.
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.