ECLI:NL:RBZWB:2024:2007
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke ISD-maatregel en schrapping bijzondere voorwaarden
De officier van justitie vorderde de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar die aan veroordeelde was opgelegd bij vonnis van 17 december 2020. Deze maatregel was voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en onherroepelijk geworden op 1 januari 2021. Tijdens de zitting op 11 maart 2024 werd vastgesteld dat de reclassering geen contact kon krijgen met veroordeelde, waardoor het toezicht niet kon worden uitgevoerd.
De officier van justitie baseerde de vordering op het niet naleven van de bijzondere voorwaarden, met name het contact met de reclassering. Echter, de rechtbank oordeelde dat veroordeelde reeds een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar heeft uitgezeten voor een feit van relatief geringe ernst, waardoor de materiële duur van de maatregel feitelijk is voltooid. Daarom achtte de rechtbank het niet opportuun om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke maatregel alsnog toe te wijzen.
Daarnaast constateerde de rechtbank dat ondanks het uitzitten van de eerdere ISD-maatregel geen gedragsverandering was gerealiseerd. Om die reden zag de rechtbank geen meerwaarde in het voortzetten van de bijzondere voorwaarden en besloot deze te schrappen. De algemene voorwaarden blijven van kracht. Mocht veroordeelde opnieuw een strafbaar feit plegen, dan zal het openbaar ministerie beoordelen of tenuitvoerlegging alsnog opportuun is.
De rechtbank wees de vordering van 4 oktober 2023 af en wijzigde de voorwaarden door alle bijzondere voorwaarden met ingang van heden te laten vervallen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 25 maart 2024 te Breda.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel af en schrapt de bijzondere voorwaarden.