Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
[de vader] ,
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Zeeland-West-Brabant om ondertoezichtstelling van twee jonge minderjarige kinderen voor de duur van een jaar vanwege ernstige zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De vader heeft ruim drie maanden geen contact gehad met de kinderen, wat de hechtingsrelatie en ontwikkeling negatief beïnvloedt. Daarnaast zijn de kinderen herhaaldelijk blootgesteld aan spanningen en conflicten tussen de ouders.
Ondanks inzet van hulpverlening en afspraken binnen een vrijwillig kader, lukt het de ouders niet om contactherstel te realiseren of samen te werken in het belang van de kinderen. De moeder heeft geen vertrouwen meer in de vader en voelt zich niet gehoord, terwijl de vader vermoedt dat de moeder contact belemmert.
De kinderrechter oordeelt dat voldaan is aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:255 BW Pro, vanwege de ernstige ontwikkelingsbedreiging. De kinderen worden voor een jaar onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant, met als doelen het structureel herstellen van het contact tussen vader en kinderen en het inzetten van een hulpverleningstraject, onder meer via Groei Jeugdhulp, om het gezamenlijk ouderschap te verbeteren.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de ouders stemmen in met de ondertoezichtstelling. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na betekening.
Uitkomst: De kinderrechter stelt de twee minderjarige kinderen onder toezicht voor de duur van een jaar met onmiddellijke ingang.