Uitspraak
1.[eiser 1]
2. [eiser 2]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers, verhuurders van een appartement in een appartementencomplex, vorderen dat gedaagde, huurder, haar roerende zaken uit de algemene ruimten verwijdert en verwijderd houdt, en haar katten verwijdert. Eisers baseren hun vordering op een verbod in de splitsingsakte en de huurovereenkomst, waarin huisdieren slechts met schriftelijke toestemming zijn toegestaan.
Gedaagde heeft de spullen op de overloop reeds verwijderd en verklaart geen nieuwe spullen te zullen plaatsen. Er is geen bewijs dat de spullen de veiligheid in gevaar brengen of dat gedaagde haar toezegging niet nakomt. Ten aanzien van de katten wijst de rechtbank op het ontbreken van een absoluut verbod in de huurovereenkomst en het belang van de huurder bij het houden van katten voor haar geestelijke welzijn, onderbouwd met een huisartsverklaring.
De rechtbank oordeelt dat de verhuurders onvoldoende belang hebben bij het weigeren van toestemming voor katten en dat de vorderingen daarom worden afgewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten ten gunste van gedaagde.
Uitkomst: De vorderingen van verhuurders tot verwijdering van spullen en katten worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.