Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis d.d. 6 maart 2024
[eiser] ,
het verdere verloop van de procedure
de beoordeling van de zaak
Artikel 8B Provisieregeling tijdens vakantie of verlof
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Een werkneemster was van 2003 tot 2023 in dienst als makelaar bij een BV, waarvan haar broer bestuurder is. In de arbeidsovereenkomst en arbeidsvoorwaardenregeling uit 2008 is een provisieregeling opgenomen die nooit is uitgevoerd. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vordert zij betaling van achterstallige provisie.
De werkgever voert aan dat de provisieregeling nooit is nageleefd en dat er stilzwijgend van is afgeweken. De kantonrechter oordeelt dat een dergelijke stilzwijgende wijziging niet kan worden aangenomen zonder zwaarwegend belang en dat de werkneemster geen rechtsverwerking heeft gepleegd door haar aanspraken later te doen gelden. De vordering is deels verjaard voor perioden vóór 2018.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van de provisieregeling, met name over de verdeling van provisie bij betrokkenheid van meerdere makelaars bij transacties. De kantonrechter stelt duidelijke criteria vast voor de berekening van de provisie en beveelt partijen aan om samen of via gemotiveerde akten de concrete aanspraken per jaar vast te stellen.
De zaak wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting in juni 2024 om verdere beslissingen te nemen na overleg en uitwisseling van standpunten en bewijsstukken. De vorderingen tot wettelijke verhoging wegens vertraagde betaling worden afgewezen vanwege omstandigheden in het dossier.
Uitkomst: De werkneemster heeft recht op provisie over 2018-2023, deels verjaard, met nadere vaststelling en overleg tussen partijen.