ECLI:NL:RBZWB:2024:2027
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €334.000 per 1 januari 2020. Tevens werd de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2021 opgelegd op basis van deze waarde. De rechtbank beoordeelde het beroep op grond van de stukken, zonder zitting.
De rechtbank hanteerde het toetsingskader van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, waarbij de waarde wordt bepaald op de prijs die een meestbiedende koper zou betalen bij verkoop onder normale omstandigheden. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin vergelijkingswoningen werden gebruikt die voldoende vergelijkbaar waren qua uitstraling, bouwjaar, inhoud en ligging.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, onder meer door correcties op de kubieke meterprijs en waardering van afzonderlijke onderdelen zoals garage en aanbouw. Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de gedateerde staat van de woning, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard.