Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Wanneer iemand door zich valselijk als een ander voor te doen iets voor die ander verklaart - in deze zaak het aanwijzen van een bankrekening voor betaling - geldt als uitgangspunt dat die ander zich tegen degene tot wie de verklaring is gericht (hierna: de geadresseerde), erop kan beroepen dat de verklaring niet van hem afkomstig is, ook wanneer de geadresseerde heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat de verklaring wel van die ander afkomstig was. Uit het beginsel dat ten grondslag ligt aan de art. 3:35 BW Pro, 3:36 BW en 3:61 lid 2 BW en art. 6:147 BW Pro, vloeit evenwel voort dat dit onder omstandigheden anders kan zijn. Deze omstandigheden moeten dan wel van dien aard zijn dat zij rechtvaardigen dat aan degene voor wie valselijk iets is verklaard, geheel of ten dele wordt toegerekend dat geadresseerde de verklaring voor echt heeft gehouden en redelijkerwijze mocht houden.” (ECLI:NL:HR:2021:783, rov. 3.1.2).