ECLI:NL:RBZWB:2024:2139
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Rekestprocedure
- Van Triest
- Rechtspraak.nl
Afwijzing spoedverzoek voorlopige ondertoezichtstelling ongeboren kind wegens geringe zwangerschapsduur
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 28 maart 2024 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant om een voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind van 17 weken zwangerschap. De moeder, met Poolse nationaliteit en woonachtig in Nederland, is de belanghebbende. De vermoedelijke vader heeft het kind niet erkend.
De rechtbank beoordeelde eerst haar rechtsmacht en het toepasselijke recht en concludeerde dat zij bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:2 BW Pro kan een ongeboren kind als geboren worden beschouwd indien het belang dit vereist, en kan onder toezicht worden gesteld volgens de artikelen 1:255 en 1:257 BW.
De kinderrechter wees het verzoek af omdat het mondeling niet onderbouwd was en vanwege de geringe zwangerschapsduur van 17 weken, waardoor het kind nog niet levensvatbaar is. De Raad werd gewezen op de mogelijkheid om opnieuw een verzoek in te dienen bij voortzetting van de zorgen en verdere voortgang van de zwangerschap. Er zal geen mondelinge behandeling plaatsvinden.
De beslissing is op 28 maart 2024 mondeling uitgesproken door kinderrechter Van Triest en schriftelijk vastgesteld op 29 maart 2024. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door tussenkomst van een advocaat bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het spoedverzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van het ongeboren kind wordt afgewezen vanwege de geringe zwangerschapsduur en het ontbreken van levensvatbaarheid.