Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van een terrein dat deels als parkeerterrein en deels als grond bij een eengezinswoning wordt gebruikt, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €109.000 voor het jaar 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €63.000 mocht bedragen, onderbouwd met een eigen taxatierapport op basis van huurwaardekapitalisatie. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport volgens de Taxatiewijzer Parkeren en gebruikte vergelijkingsobjecten met hogere vierkante meterprijzen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De door belanghebbende aangevoerde taxatie was onvoldoende onderbouwd en hield geen rekening met de woonbestemming van een deel van het terrein. De hogere prijzen van vergelijkingsobjecten in grotere plaatsen werden als aanvullend bewijs gezien en rechtvaardigden de vastgestelde waarde.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn van twee jaar niet was overschreden. Het beroep werd ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag OZB bleven gehandhaafd, en belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €109.000 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.