Belanghebbende maakte bezwaar tegen de beschikking huurtoeslag 2020, specifiek tegen de hoogte van het toetsingsinkomen waarop de toeslag is gebaseerd. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Limburg. Deze verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak door aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Op de zitting van 27 maart 2024 werd vastgesteld dat het procesbelang van belanghebbende was vervallen doordat Belastingdienst/Toeslagen tegemoet was gekomen aan het bezwaar. Hierdoor kon belanghebbende materieel niet meer in een betere positie komen door deze procedure.
De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling tegen de inspecteur. Ook het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter Beukers-van Dooren en openbaar gemaakt op 4 april 2024.