Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 23 februari 2024 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een crisismaatregel op grond van artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 2001. Betrokkene vertoonde een patroon van ernstige suïcidepogingen en herhaalde crisisopnames, waarbij zij zich recentelijk naar het treinspoor begaf met de intentie zichzelf van het leven te beroven.
Tijdens de mondelinge behandeling waren betrokkene, haar advocaat, een psychiater en een begeleidster aanwezig. De psychiater gaf aan dat verplichte zorg gericht op medicatietoediening, bewegingsbeperking en opname in een GGZ-instelling doelmatig kan zijn, mede vanwege het risico op levensgevaar en ernstige psychische schade. Betrokkene verzette zich tegen de verplichte zorg, maar toonde wel enige bereidheid tot medicatiegebruik.
De rechtbank stelde vast dat er een ernstig vermoeden bestaat van depressieve en persoonlijkheidsstoornissen en dat de crisismaatregel noodzakelijk is om onmiddellijk dreigend ernstig nadeel af te wenden. De gevraagde zorgvormen werden als evenredig en effectief beoordeeld, terwijl minder bezwarende alternatieven ontbraken. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend tot en met 15 maart 2024, met afwijzing van overige verzoeken.
Uitkomst: Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 15 maart 2024 voor medicatietoediening, bewegingsbeperking en opname.