De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 22 maart 2024 uitspraak gedaan in een rekestprocedure inzake een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan schizofrenie-spectrum- en andere psychotische stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen.
Betrokkene heeft belangrijke stappen gezet in haar herstel en streeft naar zelfstandigheid, waarbij zij het medicatieafbouwtraject van twaalf maanden te lang vindt en pleit voor zes maanden. De behandelend psychiater adviseert behoedzaamheid en handhaaft het twaalf maanden durende traject, maar erkent ruimte voor onderlinge afstemming.
De rechtbank oordeelt dat betrokkene niet voldoende intrinsieke motivatie toont om vrijwillig mee te werken aan de noodzakelijke zorg en acht verplichte zorg noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden. De machtiging wordt verleend voor de toediening van medicatie en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid, met een duur van zes maanden. De behandeling van het resterende verzoek wordt aangehouden tot een nadere mondelinge behandeling.
De rechtbank benadrukt dat geen minder bezwarende alternatieven beschikbaar zijn en dat de verplichte zorg evenredig en effectief is, met inachtneming van de bevordering van maatschappelijke participatie en veiligheid. De beschikking is op 22 maart 2024 mondeling gegeven en op 2 april 2024 schriftelijk uitgewerkt.