ECLI:NL:RBZWB:2024:2293

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
10710056 CV EXPL 23-2796 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 88 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering wegens niet-betaalde factuur voor plaatsing schutting

Gedaagde sloot met Schuttingbouw een overeenkomst voor de koop en plaatsing van een schutting. Schuttingbouw stuurde een factuur van €1.798,50 en meerdere betalingsherinneringen en aanmaningen. Gedaagde betaalde niet en verscheen niet op de mondelinge behandeling, waardoor zijn verweer niet is onderbouwd.

De kantonrechter oordeelt dat de hoofdsom van €1.798,50 toewijsbaar is. Omdat op de factuur geen betalingstermijn stond, is de redelijke termijn gesteld in een brief van 5 februari 2023, waarna gedaagde op 23 februari 2023 in verzuim kwam. De wettelijke rente wordt vanaf die datum toegewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten van €269,78 worden toegekend conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van in totaal €2.068,28 plus wettelijke rente en proceskosten van €982,84. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €2.068,28 plus wettelijke rente en proceskosten wegens niet-betaling van factuur.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10710056 \ CV EXPL 23-2796
Vonnis van 3 april 2024
in de zaak van
SCHUTTINGBOUW MOERDIJK B.V.,
gevestigd te Zevenbergen,
eisende partij,
hierna te noemen: Schuttingbouw,
gemachtigde: [gemachtigde] B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 oktober 2023 met de daarin genoemde stukken,
- de e-mail van 4 maart 2024 van [gedaagde] , waarin hij aangeeft niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn,
- de e-mail van 5 maart 2024 van de griffier, waarin staat dat de e-mail van [gedaagde] niet wordt gezien als een verzoek tot uitstel en dat de zitting in beginsel zal doorgaan,
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] is zoals aangekondigd niet verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft met Schuttingbouw een overeenkomst gesloten voor de koop en plaatsing van onder meer een schutting.
2.2.
Schuttingbouw heeft aan [gedaagde] de factuur van 1 oktober 2022 aan [gedaagde] gezonden voor een totaalbedrag van € 1.798,50.
2.3.
Schuttingbouw heeft op 10 oktober 2022 en 25 oktober 2022 een betalingsherinnering aan [gedaagde] gezonden. In de herinneringen wordt gevraagd om het openstaande bedrag zo spoedig mogelijk over te maken.
2.4.
Schuttingbouw heeft op 1 december 2022 en 30 december 2022 een aanmaning aan [gedaagde] gezonden. In de aanmaningen wordt gevraagd om het openstaande bedrag binnen 7 dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen.
2.5.
Per brief van 5 februari 2023 heeft de gemachtigde van Schuttingbouw [gedaagde] verzocht om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief tot betaling van het openstaande bedrag over te gaan.

3.Het geschil

3.1.
Schuttingbouw vordert - samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.129,68 (bestaande uit € 1.798,50 aan hoofdsom, € 61,40 aan verschenen wettelijke rente en € 269,78 aan buitengerechtelijke incassokosten), wettelijke rente en proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert aan dat betalingen zijn verricht.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 maart 2024. Zoals door hem aangekondigd is [gedaagde] , hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. Op grond van artikel 88 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter uit het niet-verschijnen ter terechtzitting de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Doordat [gedaagde] niet is verschenen, heeft hij de nadere stellingen van Schuttingbouw niet weersproken.
4.2.
Schuttingbouw heeft ter zitting betwist dat [gedaagde] betalingen heeft verricht. Het lag op de weg van [gedaagde] om zijn verweer dat betalingen zijn verricht met bewijsstukken te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Aangezien niet vast is komen te staan dat [gedaagde] daadwerkelijk betalingen heeft verricht, zal de gevorderde hoofdsom van € 1.798,50 worden toegewezen.
4.3.
Ter zitting heeft Schuttingbouw de gevorderde handelsrente verminderd tot de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Niet gesteld of gebleken is vanaf welke datum [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. Op de factuur is geen betalingstermijn opgenomen. Pas per brief van 5 februari 2023 is [gedaagde] een redelijke termijn in de zin van artikel 6:82 BW Pro gesteld om te betalen, namelijk binnen 15 dagen nadat de brief is bezorgd. Dat houdt in dat [gedaagde] op zijn vroegst op 23 februari 2023 in verzuim is komen te verkeren, uitgaande van een bezorging van de brief op de eerstvolgende dag niet zijnde een zon-, maan- of feestdag. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal daarom vanaf die datum worden toegewezen.
4.4.
Schuttingbouw vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Schuttingbouw heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 269,78 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is gelijk aan het in het Besluit bepaalde tarief van € 269,78 bij € 1.798,50 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 269,78 toe.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
1.798,50
- buitengerechtelijke incassokosten
269,78
+
Totaal
2.068,28
4.6.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Schuttingbouw worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,84
- griffierecht
365,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2,00 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
982,84

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Schuttingbouw te betalen een bedrag van € 2.068,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.798,50, met ingang van 23 februari 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 982,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024