De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van een minderjarige vrouw geboren in 2006, die op het moment van de procedure nog minderjarig was, om haar meerderjarig te verklaren. Dit verzoek werd gedaan op grond van artikel 1:253ha BW, zodat zij het gezag over haar pasgeboren zoon kan uitoefenen. De moeder woont samen met de biologische vader van het kind, die het kind inmiddels heeft erkend en met wie zij de zorg en opvoeding wil delen.
Tijdens de mondelinge behandeling waren de moeder, haar vader en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. De moeder en haar vader steunden het verzoek, terwijl de biologische vader niet verscheen maar zich niet tegen het verzoek verzet. De Raad bracht naar voren dat de biologische vader psychisch kwetsbaar is, maar dat de betrokken GGZ tot het tweede levensjaar van het kind betrokken blijft, wat als positief werd beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was omdat de moeder de leeftijd van 16 jaar had bereikt. Gezien de omstandigheden en de ondersteuning vanuit het netwerk en hulpverlening achtte de rechtbank het in het belang van zowel de moeder als het kind om het verzoek toe te wijzen. De meerderjarigverklaring brengt automatisch het gezag over het kind met zich mee voor de moeder. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.
De rechtbank adviseerde de ouders om, indien zij gezamenlijk het gezag willen uitoefenen, een procedure te starten om het gezag gezamenlijk in het gezagsregister te laten opnemen. De beschikking werd uitgesproken door rechter Sumner op 8 april 2024 te Breda.