Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 5 december 2023 van het college van Gedeputeerde Staten Zeeland om een ontheffing te verlenen voor het doden van reeën ter beperking van de populatie, met het oog op verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter behandelde op 4 april 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder baseerde het besluit op het Faunabeheerplan Ree 2024-2029 en stelde dat het aantal aanrijdingen met reeën in Zeeland een gevaar voor de verkeersveiligheid vormt, waarbij een valwildpercentage van meer dan 5% als norm geldt. Verweerder stelde dat andere maatregelen onvoldoende effectief zijn gebleken en dat het doden van reeën noodzakelijk is.
Verzoekers voerden aan dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een reëel gevaar en dat het valwildpercentage niet geschikt is als maatstaf. Ook zou verweerder onvoldoende hebben gemotiveerd waarom andere oplossingen niet afdoende zijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het doden van reeën noodzakelijk is voor de verkeersveiligheid. Het valwildpercentage is niet adequaat onderbouwd en het gevaar voor verkeersveiligheid onvoldoende gekwantificeerd.
De voorzieningenrechter wees het verzoek toe en schorst het besluit tot zes weken na de uitspraak in de beroepsprocedure. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan verzoekers vergoed.