Woonkwartier verhuurt sinds november 2021 een woning aan gedaagde, die vanaf juni 2022 een huurachterstand heeft opgebouwd. De huurprijs is per september 2023 vastgesteld op €513,66 per maand. Vanwege de achterstand en financiële problemen is er op 26 januari 2024 beschermingsbewind ingesteld over de goederen van gedaagde, met benoeming van twee bewindvoerders.
Woonkwartier vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, betaling van de huurachterstand van €2.252,76, incassokosten van €351,77 en betaling van de huur tot ontbinding en gebruiksvergoeding daarna. Gedaagde voert verweer, onder meer dat betalingen lager zijn dan gesteld en wijst op persoonlijke omstandigheden en hulpverlening.
De rechtbank oordeelt dat de bewindvoerders als formele procespartij moeten worden aangemerkt en dat gedaagde niet meer zelf kan optreden. De huurachterstand is meer dan drie maanden, wat een tekortkoming van voldoende gewicht vormt voor ontbinding. De persoonlijke omstandigheden van gedaagde kunnen hieraan niet afdoen. De vorderingen worden toegewezen, waarbij de bewindvoerders hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling en ontruiming binnen twee weken.
De proceskosten van €1.211,86 worden eveneens aan de bewindvoerders opgelegd. Woonkwartier zal het vonnis niet ten uitvoer leggen zolang de lopende huur wordt betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 27 maart 2024 uitgesproken door rechter Thielen.