ECLI:NL:RBZWB:2024:2468

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
C/02/419446 FA RK 24-844
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Holierhoek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening hoofdverblijf en zorgregeling minderjarige kinderen

Partijen zijn ouders van twee minderjarige kinderen en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De vrouw verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen, waaronder het toewijzen van het hoofdverblijf van de kinderen aan haar en het vaststellen van een zorg- en contactregeling, in afwachting van de bodemprocedure.

De rechtbank stelde vast dat de hoofdzaak reeds aanhangig is en dat het verzoek voldoende samenhangt met de hoofdzaak, waardoor de vrouw ontvankelijk is. De vrouw voerde aan dat het niet goed gaat met een van de kinderen en dat spoed geboden is, terwijl de man verzocht de bodemprocedure af te wachten.

De rechtbank oordeelde dat vanwege de korte termijn tot de bodemprocedure (15 april 2024) en het ontbreken van zeer ernstige en dringende omstandigheden het belang van de vrouw onvoldoende is om nu een voorlopige voorziening te treffen. Een tussentijdse wijziging van het hoofdverblijf zou leiden tot onrust voor het kind, zeker als de hoofdzaak tot een andere beslissing leidt.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af en bevestigde dat het eerder gewezen vonnis in kort geding van 10 oktober 2023 onverminderd van kracht blijft. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 27 maart 2024 en schriftelijk uitgewerkt op 5 april 2024.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van een dringend belang en het spoedig geplande bodemproces.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/419446 FA RK 24-844
uitwerking verkorte beschikking d.d. 27 maart 2024 betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro d.d. 5 april 2024
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.J. Jurgers, gevestigd te Bergen op Zoom,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen, gevestigd te Goes.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, hierna te noemen: de raad.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de verkorte beschikking d.d. 27 maart 2024, met alle daarin genoemde stukken.
1.2. Bij verzoekschrift ontvangen op 22 september 2023 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/414129 FA RK 23-4441. In de hoofdzaak liggen verzoeken tot bepaling van het hoofdverblijf, een zorgregeling en kinderalimentatie ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 22 maart 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een zittingsvertegenwoordigster namens de Raad.
1.4. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 27 maart 2024 een verkorte beschikking gegeven. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Uit hun relatie zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3.
Genoemde kinderen zijn door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak,
Primair:
I. te bepalen dat [minderjarige 1] – evenals [minderjarige 2] – wordt toevertrouwd aan de vrouw en bij de vrouw ingeschreven zal staan, zodat voor [minderjarige 1] in [woonplaats 1] de nodige hulpverlening kan worden gerealiseerd, waarbij de man zo nodig wordt veroordeeld hieraan zijn medewerking te verlenen;
II. een zorg- en contactregeling met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man vast te stellen, door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;
subsidiair:
III. met inachtname van het hiervoor sub 14 aangevoerde een deskundige, althans een door uw rechtbank in goede justitie te selecteren deskundige, te benoemen ter beantwoording van de vraag met welk hoofdverblijf (bij moeder of vader) het belang van [minderjarige 1] het meest is gediend, waarbij o.a. onderzocht en geadviseerd wordt wat een verhuizing van [minderjarige 1] naar moeder in [woonplaats 1] zou betekenen, of [minderjarige 1] goed of juist niet met een dergelijke verandering zou kunnen omgaan en of hij dan wel of niet zou worden overvraagd en waarbij het adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 december 2023 wordt getoetst aan de hand van de relevante wetenschappelijke standaarden.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt, voor zover de vrouw wel ontvankelijk verklaard wordt, de verzoeken van de vrouw als verwoord onder I tot en met III af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en het vonnis in kort geding d.d. 10 oktober 202 met kenmerk C/02/413446 KG ZA 23-424 in stand te laten, derhalve te bekrachtigen.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant voor de beoordeling, ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Deze bepaling geldt ook voor verzoekschriftprocedures.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen een hoofdzaak aanhangig is. De door de vrouw verzochte voorziening heeft voldoende samenhang met de verzoeken in de hoofdzaak. De vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro een zodanig belang is vereist dat van verzoeker niet kan worden gevergd dat de einduitspraak in de hoofdzaak wordt afgewacht. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.4.
De vrouw stelt ter onderbouwing van de dringendheid van haar verzoek dat het feit dat de bodemprocedure op 15 april 2024 wordt behandeld, niet betekent dat reeds dan een uitspraak zal volgen. De vrouw heeft dringend belang bij haar verzoek nu uit de stukken blijkt dat het niet goed gaat met [minderjarige 1] .
4.5.
De man heeft verweer gevoerd. De mondelinge behandeling in de bodemprocedure is over drie weken bepaald. In deze procedure zal een grondige afweging worden gemaakt van de belangen van de minderjarigen, met bespreking van het raadsrapport. In de huidige procedure zal een marginale toetsing aan de orde zijn, waarbij bij toewijzing het leven van [minderjarige 1] op zijn kop gezet zal worden met de reële mogelijkheid dat hij korte tijd later weer zal verhuizen wanneer in de hoofdzaak het hoofdverblijf alsnog bij de man zal worden bepaald. De man stelt zich op het standpunt dat de behandeling in de hoofdzaak moet worden afgewacht.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat de man vrouw onvoldoende (dringend) belang heeft bij haar verzoeken. De rechtbank overweegt hiertoe dat de mondelinge behandeling op 15 april 2024 plaatsvindt. Dat is al op zeer korte termijn. Aan de hand van de stukken en hetgeen ter zitting wordt besproken, kan de rechter in de hoofdzaak zo nodig voorlopige beslissingen nemen. De vrouw heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die dwingen tot de conclusie dat niet van de vrouw kan worden verlangd dat zij deze hoofdzaak afwacht. Voorts is niet gebleken dat het belang van [minderjarige 1] vergt dat de rechtbank vooruitlopend op de beslissingen in de hoofdzaak nu een beslissing neemt op de voorliggende verzoeken. Indien al juist is dat het niet goed gaat met [minderjarige 1] , geldt dat wanneer nu bij wijze van voorlopige voorziening een wisseling plaatsvindt in woonplaats en verzorgende ouder en vervolgens in de hoofdzaak tot een ander oordeel wordt gekomen, dit voor hem tot een stapeling van elkaar snel opvolgende wijzigingen leidt. Dit acht de rechtbank niet in zijn belang. Het risico op een zodanige situatie is alleen gerechtvaardigd ingeval van zeer ernstige en dringende omstandigheden of wanneer met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden verwacht dat de rechter in de hoofdzaak tot eenzelfde beslissing komt. Dit doet zich hier niet voor.
Nu de primaire verzoeken worden afgewezen, is de beoordeling van het subsidiaire verzoek aan de orde. Ook hiervoor geldt dat niet valt in te zien welk belang van de vrouw rechtvaardigt dat vooruitlopend op de behandeling in de hoofdzaak een deskundige wordt benoemd als door de vrouw verzocht.
4.7.
Op grond van al het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw afwijzen.
4.8
De man heeft verzocht om in geval van ontvankelijkverklaring van de vrouw het tussen partijen op 10 oktober 2023 gewezen vonnis in kort geding “in stand te laten, derhalve te bekrachtigen”. Ook dit verzoek wordt afgewezen. Immers, dit vonnis blijft met de afwijzing van de verzoeken van de vrouw in stand en behoudt daarmee tussen partijen volledige en directe werking. Niet valt in te zien welk belang de man heeft bij een beslissing in deze procedure waarbij genoemd vonnis wordt bekrachtigd.

5.De beslissing

De rechtbank
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024 in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink als griffier, en schriftelijk uitgewerkt op 5 april 2024.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.