Partijen zijn ouders van twee minderjarige kinderen en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De vrouw verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen, waaronder het toewijzen van het hoofdverblijf van de kinderen aan haar en het vaststellen van een zorg- en contactregeling, in afwachting van de bodemprocedure.
De rechtbank stelde vast dat de hoofdzaak reeds aanhangig is en dat het verzoek voldoende samenhangt met de hoofdzaak, waardoor de vrouw ontvankelijk is. De vrouw voerde aan dat het niet goed gaat met een van de kinderen en dat spoed geboden is, terwijl de man verzocht de bodemprocedure af te wachten.
De rechtbank oordeelde dat vanwege de korte termijn tot de bodemprocedure (15 april 2024) en het ontbreken van zeer ernstige en dringende omstandigheden het belang van de vrouw onvoldoende is om nu een voorlopige voorziening te treffen. Een tussentijdse wijziging van het hoofdverblijf zou leiden tot onrust voor het kind, zeker als de hoofdzaak tot een andere beslissing leidt.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en bevestigde dat het eerder gewezen vonnis in kort geding van 10 oktober 2023 onverminderd van kracht blijft. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 27 maart 2024 en schriftelijk uitgewerkt op 5 april 2024.