AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot schadevergoeding wegens niet-ondergane inverzekeringstelling
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 maart 2024 een verzoek op grond van artikel 530 enPro 533 van het Wetboek van Strafvordering van een verzoeker die vergoeding vroeg voor schade door vermeende inverzekeringstelling en kosten voor het indienen van het verzoek.
De officier van justitie voerde aan dat verzoeker nooit in verzekering was gesteld, waardoor geen vergoeding op grond van artikel 533 SvPro kon worden toegekend. Verzoeker gaf aan niet op de hoogte te zijn geweest van deze juridische nuance en ging uit van recht op vergoeding.
De rechtbank overwoog dat artikel 533 SvPro alleen vergoeding toekent aan verdachten die onterecht in verzekering zijn gesteld, klinisch zijn geobserveerd of voorlopige hechtenis hebben ondergaan. Omdat verzoeker nooit in verzekering was gesteld, kon geen vergoeding worden toegekend. Ook het verzoek tot forfaitaire vergoeding voor de behandeling van het verzoekschrift werd afgewezen.
De beslissing werd uitgesproken door rechter J.P.M. Hopmans in aanwezigheid van griffier I.L. Bruijnooge. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van vergoeding wegens vermeende inverzekeringstelling wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-067669-22
raadkamernummers: 23-030324 en 23-030325
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de verzoeken op grond van artikel 530 enPro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteland] ,
wonende op het [woonadres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
1.De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
het aantekening mondeling vonnis d.d. 4 september 2023 waarin verzoeker is vrijgesproken;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 11 maart 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. J. Castelein en verzoeker gehoord.
2.De standpunten
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoeker is nimmer in verzekering gesteld, zodat hij geen recht heeft op een vergoeding op grond van artikel 533 vanPro het Wetboek van Strafvordering. Dat maakt tevens dat verzoeker geen recht heeft op de forfaitaire vergoeding, zodat het verzoek in zijn geheel moet worden afgewezen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de toelichting hem duidelijk is en dat hij hiervan niet op de hoogte was en er vanuit ging dat hij recht had op de door hem gevraagde vergoeding.
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 533 SvPro kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.
Verzoeker vraagt een vergoeding voor 1 dag omdat hij één dag is opgehouden voor verhoor. Ingevolge artikel 533 SvPro heeft een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt geseponeerd recht op een schadevergoeding voor die dagen die onterecht in detentie zijn doorgebracht. Verzoeker is nimmer in verzekering gesteld, zodat hij niet voor een vergoeding op grond van artikel 533 SvPro in aanmerking komt. Het verzoek zal worden afgewezen.
Nu het verzoek tot toekennen van een vergoeding wordt afgewezen, wijst de rechtbank ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer af.
4.De beslissing
De rechtbank:
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 25 maart 2024 gegeven door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 enPro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 SvPro).