Op 11 augustus 2023 werd de bromscooter van klager in beslag genomen wegens verdenking van deelname aan het verkeer met een ondeugdelijk voertuig. Klager betwistte de staat van de scooter en stelde dat het beslag op de waarde van het voertuig moest blijven rusten. Tijdens de raadkamerzitting op 11 maart 2024 werden de standpunten van klager en het openbaar ministerie gehoord.
De officier van justitie stelde dat de scooter in zeer slechte staat verkeerde en inmiddels vernietigd was, met een waarde van €300. Klager stelde dat de waarde hoger was, circa €1.300, en dat hij de opbrengst goed kon gebruiken. De rechtbank oordeelde dat het strafvorderlijk belang ontbrak omdat het onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring zou bevelen, mede gelet op het ontbreken van relevante justitiële documentatie en de waarde van het voertuig.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de scooter aan klager. Omdat het voertuig vernietigd is, heeft klager recht op vergoeding van de waarde door het openbaar ministerie. De beslissing werd op 25 maart 2024 uitgesproken door rechter J.P.M. Hopmans.